Beduidende cijfers en wetenschappelijke notatie, tel voor tel geoefend.
Toetsklaar0%
Opwarmen
Repetitie
Generale
Première
Lees een lesen speel met het podium.
Oefen per onderwerptot elk balkje vol is.
Doe de toetsmoduszonder hulp, zoals in de klas.
Beduidende cijfers: wie danst er mee?
Een meetwaarde vertelt niet alleen hoeveel, maar ook hoe nauwkeurig je gemeten hebt. Meet je je viool met een lat en lees je 59,4 cm af, dan ben je zeker tot op de millimeter. Schrijf je 59,40 cm, dan beweer je dat je tot op een tiende millimeter nauwkeurig was. De cijfers die iets zeggen over je meting heten de beduidende cijfers (BC).
Denk aan een dansgroep op het podium. De beduidende cijfers zijn de dansers. De nullen vooraan zijn de technici die met tape aanduiden waar het podium begint: nodig om de plaats van de komma te tonen, maar ze dansen niet mee.
Podium · BC-scanner
5 danst mee (beduidend)0 toont alleen de plaats0 onduidelijk, telt niet
Cijfers 1 tot 9 tellen altijd mee. → 3 BC
Nullen vooraan tellen nooit mee. → 2 BC. Ze tonen alleen waar de komma staat.
Nullen tussen andere cijfers tellen altijd mee. → 3 BC
Nullen achteraan na de komma tellen mee. → 3 BC. Die 0 zegt: ik heb nauwkeurig gemeten.
Nullen achteraan een geheel getal (zoals 1200) → 4 BC, zo leer je het in de meeste Vlaamse handboeken. Wil je maar 2 BC tonen? Schrijf dan 1,2 · 103. → 2 BC. De nullen achteraan zijn onduidelijk, dus tellen ze niet mee. Wil je tonen dat ze wel meetellen? Schrijf dan 1,200 · 103.Je kunt bij Spiekbrief instellen hoe jouw leerkracht dit doet.
Kortweg: begin te tellen bij het eerste cijfer dat geen nul is, en tel dan alles tot het einde.
Kortweg: begin te tellen bij het eerste cijfer dat geen nul is. Nullen achteraan een getal zonder komma tel je niet.
Afronden: kijk naar de volgende tel
Afronden is zoals een maat afsluiten. Je telt de tellen die je nodig hebt, en de volgende tel beslist wat er met de laatste gebeurt.
0, 1, 2, 3 of 4
Het laatste cijfer blijft zoals het is. Afronden naar beneden.
5, 6, 7, 8 of 9
Het laatste cijfer gaat één omhoog. Afronden naar boven.
Voorbeeld 1
Voorbeeld 2 · de valkuil
Voorbeeld 3 · nullen vooraan
Wetenschappelijke notatie: laat de komma dansen
De vorm
a · 10n
met 1 ≤ a < 10: precies één cijfer vóór de komma, en dat cijfer is geen nul.
Waarom?
Rood licht van de podiumspots trilt ongeveer 460 000 000 000 000 keer per seconde. Leesbaarder is 4,6 · 1014 Hz. Bovendien zie je meteen hoeveel BC er zijn: 2.
Podium · Komma-dans
· 100
Elke stap naar links maakt het getal vooraan 10 keer kleiner, dus de exponent gaat 1 omhoog. Elke stap naar rechts: exponent 1 omlaag. De waarde blijft altijd dezelfde.
Groot getal (10 of meer)
De komma danst naar links. De exponent is positief.
34 500 = 3,4500 · 104
Klein getal (kleiner dan 1)
De komma danst naar rechts. De exponent is negatief.
0,00720 = 7,20 · 10−3
Beduidende cijfers blijven precies hetzelfde
Nullen vooraan verdwijnen (het waren toch geen dansers). Alle beduidende cijfers blijven staan, ook de nul achteraan in 7,20. De macht van 10 telt nooit mee als beduidend cijfer.
Op je rekenmachine
Typ 4,5 · 103 als 4.5 [EXP] 3 (of [×10x]). Typ niet4.5 × 10 [EXP] 3, want dan krijg je 10 keer te veel. Negatieve exponent? Gebruik de toets (−), niet de min van aftrekken.
Rekenen met meetwaarden
De minst nauwkeurige meting is zoals de traagste danser in een rij: de hele groep kan maar zo strak dansen als zij. Je antwoord mag dus nooit nauwkeuriger lijken dan je slechtste meting.
× en ÷
Tel de beduidende cijfers
Het antwoord krijgt evenveel BC als het getal met de minste BC.
Je danst 8,45 m (3 BC) in 3,2 s (2 BC). v = 8,45 / 3,2 = 2,640625 → 2 BC: v = 2,6 m/s
+ en −
Tel de decimalen
Het antwoord krijgt evenveel cijfers na de komma als het getal met de minste decimalen.
2,35 min + 4,1 min + 3,275 min = 9,725 min 4,1 heeft maar 1 decimaal → 9,7 min
Exacte getallen tellen niet mee
Getallen die je telt (3 dansers) of die per definitie kloppen (1 min = 60 s, de 1 in T = 1/f) hebben oneindig veel BC. Ze beperken je antwoord nooit.
Rond pas af op het einde
Reken tussendoor met alle cijfers van je rekenmachine. Rond je te vroeg af, dan kan je eindantwoord net verkeerd uitkomen.
Rekenen met machten van 10
Vermenigvuldigen
10a · 10b = 10a+b
Exponenten optellen.
Delen
10a / 10b = 10a−b
Exponenten aftrekken.
Voorbeeld
(2,5 · 104) × (6,0 · 103)
Stap 1. Getallen vooraan: 2,5 × 6,0 = 15
Stap 2. Exponenten: 4 + 3 = 7, dus 15 · 107
Stap 3. Normaliseren: 15 ligt niet tussen 1 en 10. Komma één plaats naar links, exponent één omhoog: 1,5 · 108
Normaliseren, de regel
Wordt het getal vooraan 10 of meer: komma naar links, exponent +1. Wordt het kleiner dan 1: komma naar rechts, exponent −1. Vergeet ook hier de BC-regel niet.
Voorvoegsels: een macht van 10 in één letter
Vervang het voorvoegsel door zijn macht van 10. Zo wordt 101,2 MHz gelijk aan 101,2 · 106 Hz = 1,012 · 108 Hz.
Symbool
Naam
Macht
In jouw wereld
G
giga
109
wifi in de danszaal: 2,4 GHz
M
mega
106
radiozender: 101,2 MHz
k
kilo
103
fietsen naar de dansles: 3,5 km
c
centi
10−2
lengte van je viool: 59,5 cm
m
milli
10−3
een drumslag: 45 ms
µ
micro
10−6
dikte van een gitaarsnaar: 250 µm
n
nano
10−9
rood podiumlicht: 650 nm
Toetstips: zo haal je je punten
Lees wat ze vragen.Moet het antwoord in wetenschappelijke notatie? Op hoeveel BC? Onderstreep het in de vraag.
Kies de juiste regel.× en ÷: tel de BC. + en −: tel de decimalen. Zeg het in je hoofd voor je afrondt.
Reken eerst volledig, rond pas af op het einde.Schrijf de uitkomst van je rekenmachine op, en rond daarna af.
Controleer je wetenschappelijke notatie.Staat er precies één cijfer (geen nul) vóór de komma? Groot getal, positieve exponent. Klein getal, negatieve exponent.
Laat nullen achteraan staan als ze beduidend zijn.3,00 is niet hetzelfde antwoord als 3.
Vergeet je eenheid niet.m, s, Hz, m/s… Zonder eenheid verlies je vaak punten.
Spiekbrief
Schrijf hem zelf over op een kaartje. Wat je met de hand schrijft, onthoud je beter. (Mee naar de toets nemen mag natuurlijk niet.)
BC tellen
Begin bij het eerste cijfer dat geen nul is.
Nullen vooraan: tellen niet.
Nullen ertussen: tellen.
Nullen achteraan na de komma: tellen.
Nullen achteraan een geheel getal: tellen (1200 → 4 BC).
Nullen achteraan een geheel getal: tellen niet (1200 → 2 BC).
Afronden
Kijk naar het cijfer na je laatste BC.
0–4: laten staan. 5–9: één omhoog.
Nullen die beduidend zijn, laat je staan: 3,00.
Wetenschappelijke notatie
a · 10n met 1 ≤ a < 10
Komma naar links: n omhoog. Naar rechts: n omlaag.
Groot getal: n positief. Kleiner dan 1: n negatief.
De macht van 10 telt nooit mee als BC.
Rekenen
× en ÷: minste aantal BC.
+ en −: minste aantal decimalen.
Exacte getallen beperken niets.
Pas afronden op het einde.
Machten van 10
×: exponenten optellen.
÷: exponenten aftrekken.
Daarna normaliseren: 1 ≤ a < 10.
Rekenmachine: 4.5 [EXP] 3
Voorvoegsels
G 109 · M 106 · k 103
c 10−2 · m 10−3
µ 10−6 · n 10−9
Hoe telt jouw leerkracht de nullen achteraan in 1200?
Boeken doen dit niet allemaal hetzelfde. Twijfel je? Vraag het in de klas. Alle lessen en oefeningen passen zich aan.